Hoofdstuk 6: Sesamstraat.

Het lijkt wel een echte eregalerij. De foto´s hangen keurig op een rij boven een paar stoelen in de wat rommelige wachtkamer van de afdeling oncologie. Ik kijk langs de rij foto´s en zie de portretten van een dokter, nog een dokter, nog een dokter, nog een Ernie. Nog een Ernie? Ernie?
D´r hangt een foto van Ernie uit Sesamstraat. En onder de foto staat: John Bakker. Oh mijn God, mijn oncoloog is Ernie uit Sesamstraat!
´Seeeeee-sam-straat, mijn dokter woont in… Seeeee-sam.straat.´
-´Kijk Ran, die dokter Bakker. Op wie lijkt hij?´
-´Weet ik veel.´
-´Het is Ernie. Uit Sesamstraat.´
-´Doe normaal man.´
-´Kijk dan, dat haar en die blik. Het is Ernie.´
-´De heer Van Rijn?´
En daar staat hij. Twee vrolijke ogen kijken mij door een klein ´ziekenfondsbrilletje´ aan. Hij is niet groter dan ikzelf en zijn zwarte haren steken boven op zijn hoofd alle kanten van de wereld op. In zijn hand heeft hij een bruine dossiermap. Het dossier van ´geval ikke´. Een hopeloos geval want Ernie is een hopeloos geval. Hij doet altijd alles verkeerd en heeft Bert nodig om alle problemen weer op te lossen. En ik zie geen Bert. Alleen een Ernie. In een fractie van een seconde neem ik de eerste belangrijke beslissing betreffende de behandeling: ik zal zijn Bert zijn en voorkomen dat hij in de problemen komt. Want zijn problemen worden in dit geval beslist mijn problemen. Mijn strijd tegen kanker wordt een avontuur van Ernie en Bert.

We lopen de smalle gang in en volgen ´Ernie´ naar zijn kantoortje waarin niet meer ruimte is voor een buro, een paar stoelen en een metalen kast met wat boeken en papieren. Aan de wand achter het buro hangt van alles, foto’s, krantenknipsels en medische tekeningen.
Het is bloedheet buiten en dat vertaalt zich naar een benauwde atmosfeer in de kleine ruimte. Het uitzicht is ook betoverend. Over een afstand van nog geen 20 meter kijken we rechtstreeks de kamers in van een andere afdeling van het ziekenhuis.
Zo´n eerste bezoek aan mijn oncoloog is vreemd. Vooraf bedenk ik mij tientallen vragen en neem ik mij voor vooral een belangrijke inbreng te hebben in mijn behandeling. Alles moet ik weten, wat er gaat gebeuren en vooral waarom. Wat de consequenties zijn op langer termijn en wat voor keuze mogelijkheden ik heb. Goede voornemens waar in de praktijk geen fluit van terecht komt. Ook al heb ik mij zo goed mogelijk voorbereid door onder andere mij te laten informeren via internet, ik ben gewoon een leek. Een leek die begint aan een voor mij volkomen onbekend traject en met name dat is volgens mij de reden dat ik toch wordt overbluft. Ik word overbluft door de ernst van de zaak maar ook door de gecompliceerdheid. Ik weet gewoon niet waar zo´n vent het over heeft en wie ben ik om ook maar ergens iets tegenin te brengen. Als je de pech hebt om een lul van een oncoloog te krijgen (beter bekend als een ´oncolul´) die vindt dat je niet moet zeuren en moet doen wat hij of zij zegt kan het mijns inziens nog wel eens een extra moeilijke tijd voor je worden.
Ik heb geluk. John Bakker is geen ´oncolul´ en neemt alle tijd voor mij en Miran.
-´Nou daar zit je dan. Het zal wel behoorlijk schrikken geweest zijn. Want wanneer ben je ook al weer geopereerd?´
Hij kijkt in de papieren van het dossier en geeft zelf het antwoord.
-´14 juni. Dus op een dag na exact een maand geleden. Welke uroloog was het?´
Ik noem zijn naam en het sceptisch klinkende lachje van John verraadt het feit dat ook hij bekend is met zijn bedenkelijke reputatie. Alleen al in dat licht is John voor mij een hele opluchting.

-´Maar goed, een maand is al weer erg veel tijd dus het is voor ons van belang zo snel mogelijk met de behandelingen te gaan beginnen. Is jou al iets verteld over de vervolgbehandeling?’
Ik vertel hem dat de uroloog iets aan gaf van een stuk of zes tot acht behandelingen die naar zijn weten poliklinisch zouden plaatsvinden.
-´Dan moet ik je denk ik teleurstellen want het betekent toch wel iets meer dan dat. Ten eerste vinden de behandelingen niet poliklinisch plaats maar moet je worden opgenomen. De chemokuren die je krijgt noemen we de zogenaamde BEP kuren. Ik zal je de technische uitleg besparen maar die zijn behoorlijk zwaar en kunnen je nieren flink op hun donder geven. Daarom is het van belang dat je veel vocht tot je neemt en die hoeveelheid is zo groot dat je dat met gewoon drinken niet aan kan. We doen dat dan ook middels een infuus. Je wordt voor drie dagen achter elkaar opgenomen en gedurende die drie dagen gooien we je elke dag weer opnieuw vol met troep. Op de derde dag mag je weg zodra je je goed genoeg voelt waarna we twee en een halve week later weer van voren af beginnen´. (behandeling door mij vrij vertaald. red)
Ik moet worden opgenomen! Gadverdamme, niet thuis slapen naast mijn Randje. Weer alleen hier in dat ziekenhuis. Ook dat nog….
En dan natuurlijk de vraag der vragen! De vraag waarop je maar één antwoord wil horen maar omdat je bang bent voor het verkeerde antwoord wil je hem eigenlijk liever niet stellen. Struisvogel politiek is hier o zo gewenst. Maar je stelt hem toch…

-´Hoe groot is de kans dat ik het overleef?´
-´Teelbalkanker is goed te behandelen en de genezingskans ligt zo rond de negentig procent. Bij jou durf ik zelfs nog wel hoger in te zetten. Op de longfoto was niets raars te zien en als de CT-scan ook niet teveel problemen naar voren brengt zie ik geen reden waarom de kuur niet zal aanslaan. En de CT-scan die we al hebben ziet er bemoedigend uit.´
-´Hoe vaak moet die behandeling worden herhaald.´
Miran stelt in ieder geval de slimme vragen.
-´We herhalen deze cyclus 4 keer. Vroeger beperkte we het ook wel tot drie keer maar onderzoek heeft uitgewezen dat met vier keer de beste kans op genezing wordt bereikt en wordt voorkomen dat het eventueel weer terugkomt. Vier keer is overigens ook het maximale wat een mens zo´n beetje aankan. Daarna gaan weer meer kwaad dan goed doen in het lichaam.´
-´Je zegt zo snel mogelijk. Hoe snel is dat dan.´
-´Liefst wil ik nog deze week beginnen maar vooraf wil ik nog een CT-Scan laten maken van je buik. Dat kan op z´n vroegst op woensdag omdat je daarvoor vandaag moet gaan beginnen met het innemen van contrastvloeistof. Ik zal eerst even bellen.´
Nu gaat het feest pas echt beginnen. Scannen, kuren, vloeistoffen, ziekenhuis opnamen, gooi het maar allemaal over mij heen. Wat maakt het allemaal uit. Dit lichaam zit toch al met kanker dus daar kunnen we nog wel wat troep doorheen rossen.

John legt de telefoon weer neer en pakt een paar formulieren.
-´Je kan woensdagochtend terecht voor de scan dus ik zal je in ieder geval alvast een recept meegeven voor de contrastvloeistof. Die kan je bij je apotheek straks gaan halen. Wat mij betreft kan je woensdag ook direct worden opgenomen en kunnen we direct beginnen.´
Ho, ho, ho. Wacht eens even. Haastige spoed is zelden goed en na mij eerst een maand thuis te laten zitten lijkt het mij ook wel een heel klein beetje overdreven om mij nu ongeveer gisteren op te moeten nemen.
-´Uhm, die opname duurt drie dagen zeg je?´
-´Drie dagen dus dat betekend dat als je woensdag weer wordt opgenomen je vrijdag weer naar huis kan.´
-´Maar vrijdag is voor het weekend en zaterdag en zondag kan ik nergens terecht.´
-´In het weekend kan je altijd via de doktersdienst van de huisartsen geholpen worden als er problemen zijn.´
-´Vind ik geen goed idee. Ik stel voor dat we aanstaande maandag beginnen. Die paar dagen maakt ook niets meer uit en maandag, dinsdag, woensdag hier met nog twee werkdagen voordat het weekend begint vind ik een veel veiliger idee.´
-´Ik wil toch kijken of het eerder kan.´
-´Nee. John, we beginnen maandag. Maandag is een mooie dag daarvoor.´
Ik voel mij hier goed bij. Op de een of andere manier heb ik het idee een deel van mijn lot in eigen handen te nemen. Niet dat dat de reden is voor mijn opstelling. Beslist niet. Ik vind maandag echt een goed idee.
John begint te lachen en haalt zijn schouders op.
-´Okee, ik zal alles regelen voor volgende week maandag. Als jullie met mij mee willen lopen naar voren zullen we alle papieren in orde maken. Jullie hebben nu nog een afspraak op de verpleegafdeling? Met wie?´
-´Met Marjan Verkerk.´
-´Hartstikke mooi. Zij zal jullie verder alles uitleggen over hoe het daar in zijn werk gaat. We gaan er met z´n allen aan werken dat het weer allemaal goed komt. Hoe moeilijk het ook is, probeer je niet al te druk te maken, dat doe ik wel voor je.´

M&M. De twee engelen van de verpleegkundige afdeling oncologie. M1 is Marjan. Als we bij haar kantoor komen is ze nog even spoorloos maar gelukkig bestaan er piepers. We geven haar een hand en gaan zitten.
-´Ik dacht dat jullie pas om half vier zouden komen dus ik heb de spullen nog niet bij de hand. Het maakt niets uit hoor. Ik zal even wat informatie pakken en dan kunnen we rustig alles bespreken wat jullie maar willen.´
Bij Marjan ben ik niet patiënt nummer dertienhonderd een en twintig. Bij Marjan ben ik Huub die samen met zijn vrouw Miranda de zware strijd aan moet gaan. Ik ben haar enige zorg, haar enige patiënt waar zij voor gaat zorgen. Natuurlijk is dat niet zo, maar de kracht van Marjan is dat het wel zo lijkt. Dat heb ik nodig. Dat geeft mij een vertrouwd en een zeker gevoel.

-´Dit´,zegt ze terwijl ze een klein boekje naar ons toeschuift, ´is een zeer belangrijk boekje wat je altijd bij je moet hebben. We gaan het bladzijde voor bladzijde rustig met elkaar doornemen en als jullie tussendoor vragen hebben stel die dan gerust. Hebben jullie nu al vragen vooraf?´
We knikken beiden nee en Marjan slaat het boekje voor ons open.
-´Huub, dit is voor jou een soort van persoonlijke handleiding. We nemen het gewoon samen even door.´
Informatie over de personen die bepalend zijn voor de behandeling, artsen, verpleegkundigen, diensten die ik bij onheil kan bellen. Wat voor andere specialisten ik nog kan verwachten, van wondverpleegkundigen tot diëtisten. Dan de uitleg van de cytostaticakuur en het verloop ervan: De Bleomycine, Etoposide en Cisplatine, gezamenlijk beter bekend als Tante Bep.
Tante Bep gaat ervoor zorgen dat ik weer kanker vrij wordt. Maar voordat dat zover is maakt Tante Bep mij eerst ziek. Behoorlijk ziek. Hoe ziek is niet helemaal zeker want dat hangt af van persoon tot persoon. Er volgt een lijst van alle soorten kwalen en problemen die ik misschien zal krijgen. Terwijl we de lijst doornemen wordt het mij allemaal teveel. Wat John ook heeft gezegd, dit overleef ik niet. Straks kan ik niets meer eten, ruiken of horen, mijn tanden vallen uit mijn mond, mijn nagels worden zwart en ik krijgen vlekken op mijn huid. Al is het goed bedoelt en is het belangrijk dat je vooraf goed wordt geïnformeerd zakt hiermee de moed mij in de schoenen.

Terwijl ik daar zit kan ik mij moeilijk voorstellen hoe het moet zijn om met gif ingespoten te worden en vervolgens gevaarlijke bijwerkingen te kunnen krijgen. Marjan is zeer geduldig maar haar vriendelijke zachtaardige manier van praten compenseert al het slechte wat ze moet vertellen maar zeer beperkt. Bladzijde na bladzijde staat de ene complicatie na de andere beschreven en wat je dan moet doen. We krijgen zoveel informatie dat het onmogelijk is alles nog een beetje normaal op een rijtje te houden. Eén ding is meer dan duidelijk. Ik ben ernstig ziek en we gaan een hele zware tijd tegemoet.

-´Ik weet dat het heel moeilijk is voor jullie. Onthoud dat jullie altijd bij mij terecht kunnen. Hebben jullie nog vragen?´ -´Ik heb begrepen dat de kans bestaat dat je haar ook gaat uitvallen. Hoe groot is die kans?´ -´Je moet er rekening mee houden dat die kans negenennegentig procent is en dat gebeurt meestal zo rond de twintigste dag na aanvang van de eerste kuur. Houd daar dus rekening mee. Ook het haar onder je oksels, je schaamhaar, je wenkbrauwen en oogharen kan je kwijt raken. Als dat laatste overigens gebeurt moet je contact met ons opnemen want dan heb je oogdruppels nodig om eventuele beschadiging aan je ogen te voorkomen.´ Geweldig! Mager, kaal en zwak. Het toekomstbeeld waar elke man naar uitkijkt. Het gesprek is klaar. In ieder geval klaar voor mij. Ik wil niets meer horen tenzij het iets leuks is en dat zit er voorlopig nog niet in. Ik wil nog maar één ding: naar huis.

-´Wanneer heeft u dit recept gekregen?´ -´Vandaag en er werd ons verteld dat wij het direct bij jullie moesten gaan halen.´ -´We hebben het hier nu niet op voorraad maar moeten het uit een ander filiaal laten komen. Na half vijf kunnen jullie het komen halen.´ Het recept voor de contrastvloeistof die ik moet gaan innemen voor de CT-scan schijnt geen standaard artikel bij onze apotheek te zijn en we moeten er voor terug komen. Als ik de dame van de apotheek aan kijk vraag ik mij af of ze de ernst van de situatie begrijpt en kan zien hoe ziek ik ben. Ze geeft niet de indruk. We geven het recept af en lopen terug naar de auto. Niet vergeten dus, na half vijf.

-´Op welke naam staat het zegt u?´ -´Van Rijn, Novemberstraat´, herhaal ik voor de derde keer. -´Ik zie hier niets. Wanneer heeft u het recept gebracht?´ -´Een kleine anderhalf uur geleden.´ -´Ik kan geen recept vinden. Het komt van het Flevoziekenhuis zegt u. Misschien kunnen we even bellen wat het precies moet zijn.´ Met veel pijn en moeite komen we er via-via achter wat we exact moeten hebben en kunnen we de medicijnen bij een ander filiaal in Almere-Stad ophalen. Voor mij als patiënt komt het allemaal erg slordig, rommelig en vooral ongeïnteresseerd over. Als dit de manier is om mij vertrouwen te geven in een goede afloop?

De eerste honderdvijftig centiliter ´dropwater´ glijden weer bij mij naar binnen. Wat is die troep koud. Ik moet het drinken rond de tijd van het avondeten maar van echt eten is bij mij geen sprake meer. Inmiddels ruim tien kilogram afgevallen en met de huidige vijfenzestig kilo zit er niet veel energie meer in mijn lijf. Ik takel af. We hangen een beetje voor de televisie en kijken naar niets bijzonders. Dit noemen ze nu wachten op je lot. Dinsdag Leonie, woensdag de CT-scan, vrijdag Leonie brengt ons bij de zondagavond. Morgen gaat het feest beginnen. Als je mij een paar maanden geleden had gevraagd hoe ik mij een avond als deze zou voelen had ik zeker iets heel anders gezegd dan de praktijk nu uitwijst. Ik kan niet zeggen dat ik er klaar voor ben. Niemand kan dat zeggen. Uiteindelijk gaan ze mij volgooien met een partij gif waarvan hele volksstammen de pijp uit kunnen gaan. Toch blijft de grote verwachte stress uit. Misschien heb ik er ook de energie niet meer voor. Het is elf uur en we staan op om naar bed te gaan. Ik voel mij moe en de doet mij verlangen naar mijn bed. Uitkleden, wassen, tandjes poetsen en naar bed. Nee, wacht even. Nog even op de weegschaal kijken. Eenenzestig en een halve kilo. Al bijna vijftien kilo afgevallen! Maar nog steeds boven de zestig kilogram. Als ik daar maar niet onder kom. Voor mij het symbool van het einde. Kom ik onder de zestig kilo dan gaat het definitief mis. Onbewust stel ik mijzelf die grens. De zestig kilo grens.

-´Het is zeven uur. Radio nieuwsdienst verzorgd door het ANP.´
De wekkerradio klinkt zacht tot mijn slaperige hersenen door en ik probeer met moeite mijn ogen open te doen. Ik heb de hele nacht geslapen. Ondanks de medische vergiftiging in het vooruitzicht ben ik de nacht prima doorgekomen. Naast mij zie ik de ultieme vorm van ´de slapende mens´ en met een paar zachte tikjes in haar zij probeer ik haar het land der levenden in te loodsen.
-´Schat, we moeten opstaan.´
-´Kan dat ding niet nog even uit´, kreunt ze half verstaanbaar in mijn richting.
Ik geef de bovenkant van de wekkerradio een klap en de stilte maakt zich weer meester van onze slaapkamer. Ook nog half versuft blijf ik nog even liggen en probeer mij voor te stellen wat mij te wachten staat. De zenuwen die ik had verwacht te zullen hebben voel ik niet. Dan sla ik het dekbed van mij af en gooi mijn benen over de rand.
-´Kom mop, van mij hoeft het ook niet echt maar we zullen wel moeten.´
Onze handelingen tussen het opstaan en het daadwerkelijk wegrijden gaan vrijwel routinematig aan ons voorbij. Nog even een kop koffie drinken en de honden uitlaten en dan slaat de deur achter mij dicht. Tijdens de rit naar het ziekenhuis kijk ik met een vreemd gevoel naar buiten. Het is een raar idee dat Miran straks alleen terugrijdt en ik daar achter blijf. Ik kijk van boom naar boom, van huis naar huis en realiseer mij dat ik ze pas woensdag weer terug zie. Waarom weet ik niet maar het is een bijna melancholisch gevoel.

Chemotherapie wordt in steeds meer gevallen poliklinisch toegediend en ook wij moeten ons op die kamer melden. We worden verwelkomt door Mieke. Mieke zal de komende maanden voor mij zeer belangrijk worden. Zij is de chemo-vakvrouw van de afdeling oncologie in het Flevoziekenhuis en ik zal haar leren kennen als een lieve, zorgzame maar wel harde tante. Zij weet exact hoe ze met haar patiënten om moet gaan en als geen ander heeft zij de perfecte combinatie gevonden tussen professionaliteit en zorgzaamheid. Ik heb dus mazzel. De eerste kennismaking zegt ook direct alles.
-´Goedemorgen, ik ben Mieke en jullie zijn te laat.´
-´Te laat? We moesten hier toch tussen acht en negen zijn en volgens mij is het net voor negenen.´
-´Heeft Bakker zeker tegen jullie gezegd. Jullie moeten hier voor half negen zijn in verband met het aanbrengen van het infuus. Iedereen heeft het al en nu moeten ze speciaal weer terug komen.´
Nou, iedereen! Er zitten inderdaad nog twee mensen met zo’n stalen standaard naast zich dus de opmerking ´iedereen´ vind ik voor twee mensen wel een beetje overdreven….
-´Nou sorry, we zullen de volgende keer eerder komen.´
-´Maakt niet meer uit´, zegt ze met een glimlach, ´ga lekker ergens zitten. Neem een lekker stoel en als je wilt kan je er ook een voetenbankje bij nemen. Ik weet nog niet welke kamer je krijgt maar dat zal ik zo even vragen. Kunnen jullie je spullen daar ook alvast neerzetten. Willen jullie koffie?´
De deur gaat open en dokter Kuster komt binnen. De vrouwelijke collega van John Bakker.
-´Ik moet nog een infuus bij mijnheer Van Rijn inbrengen. Dat bent u?´

Ontkennen heeft geen zin meer. Ik ben de lul.
-´In welke arm wilt u het. Bent u links of rechtshandig?´
-´Linkshandig dus doe maar rechts.´

-´Een ontsmetting en een doorboring van een holle naald in de bovenkant van mijn hand zorgen ervoor dat ik voorzien wordt van een kraantje. Nu alleen nog even aansluiten en het loodgieterswerk is klaar. Ook ik krijg mijn stalen standaard als maatje naast mij staan en net als bij mijn andere twee collega´s blijft de verbinding, met wat dan ook, nog even achterwegen. Nog even want al snel worden twee kunststof kratten binnengebracht. Voordat Mieke de kratten opent trekt ze plastic handschoenen aan. Haar handen mogen niet met het spul in aanraking komen en bij mij spuiten ze het in mijn bloed!
Lekker vooruitzicht…..

De ene na de andere zak wordt naast mij opgehangen en via een soort van elektronisch geregelde dompelaar komen de verschillende slangen die er aan hangen bij elkaar. Het apparaat moet zorgen voor de juiste snelheid van het legen van de zakken. Tot slot de slang naar de kraan op mijn hand. Mieke sluit alles aan en ik kijk een beetje apathisch toe. Het kraantje wordt open gezet, het apparaat begint te zoemen en de eerste vloeistof loopt langzaam naar mijn arm toe. Nog een paar seconden en het is zover. Een vreemde ziekmakende vloeistof dringt mijn lichaam binnen en alleen God weet wat mij te wachten staat. Het begin van een voor mij totaal onbekende reis. Ik voel tranen in mijn ogen branden en pak Miran haar hand. Ze kijkt mij zwijgend aan en veegt een traan van mijn wang. Voor het eerst voel ik echt de angst, voel ik mij pas echt kankerpatiënt. Deze eerste paar minuten zijn niet te beschrijven. Het is zo een vreemde gewaarwording te kijken naar slangetjes waardoor een zo agressief goedje je lichaam binnendringt. Mieke slaat een arm om mij heen.
-´Doe maar rustig aan. Zit het infuus goed. Geen pijn in je hand?´
Ik knik van nee.
-´Als je nog iets wilt, koffie, thee of iets anders zeg je het maar. Ik zal even kijken of ze al weten welke kamer je krijgt.´
-´De allereerste keer is het voor iedereen moeilijk hoor. Ik had dat ook en soms nu nog wel eens.´

De vrouw schuin tegenover mij aan de andere kant van de kamer probeert mij wat moed in te praten. Ik schat haar tussen de vijfendertig en veertig jaar oud en eigenlijk ziet ze er helemaal niet zo ziek uit. Voor ik het weet schiet het eruit….
-´Bij u heeft de chemo geen invloed op uw haar zo te zien.´
Fout!!
-´Dit is een pruik hoor in mij eigenlijke haarkleur. Ik heb al twee andere kleuren terug gehad. Van wit tot grijs dus iets heel anders dan dit.´
Ook dat nog. Los van de blunder die ik nu maak krijg ik dus ook nog een andere kleur haar terug. Àls ik mijn haar terug krijg. Stel je voor een veertig jarige Huub met grijs haar. Ik slik verdere woorden maar even in.

De eerste keer in de ´poliklinische kamer´ van de afdeling oncologie gaat als een slechte B-film aan mij voorbij. Een man die zijn vrouw begeleid verteld hoe moeilijk het is om tijdens je chemo periode iets te vinden dat acceptabel is om te drinken. Hij adviseert een of ander onbekend merk jus d´orange wat ideaal lijkt te zijn. Het is gelul. Voor iedereen zal het individueel anders liggen en ook ik zal daar nog achter komen. Het geven van adviezen vanuit eigen ervaring is verkeerd. Je kan hooguit je eigen ervaringen vertellen maar verder houdt het op. Elk mens reageert anders op de mysterieuze gevolgen van de chemokuren. Ik ben te stoïcijns om er enige notie van te nemen.

Mieke komt de ruimte weer binnen.
-´Huub, als je wilt kunnen jullie naar je kamer gaan. Jouw bed staat klaar.´
Ik sta op en maak mijn eerste meters met de infuus standaard met zakken die mij de komende dagen trouw zal volgen. We lopen de gang in en achter Mieke aan een kamer in. Er ligt nog een patiënt!!
-´John had mij een éénpersoons kamer belooft.´
-´We proberen dat ook altijd maar helaas lukt dat deze keer niet. Ik zal doorgeven dat ze dat voor de volgende keer er duidelijk bij zetten maar garanties kunnen we je nooit geven. Sorry.´

De man in de kamer ligt te slapen en Mieke trekt het gordijn tussen zijn en mijn bed dicht.
-´Je krijgt naast de cytostatica nogal wat vocht toegediend dus je zal waarschijnlijk veel naar de toilet moeten. Je mag alleen het toilet tegenover de polikamer gebruiken in verband met de chemotherapie. Miranda, ook jij moet er rekening mee houden thuis alleen het toilet schoon te maken met handschoenen aan. Na tien dagen is al het gif uit Huub weg maar tot die tijd altijd handschoenen dragen. Ook als hij overgeeft alles opruimen met handschoenen aan. Het is nu eenmaal chemische rotzooi dus uiterste voorzichtigheid is geboden.´
Ik trek mijn schoenen uit en ga op het bed zitten. Miranda pakt wat spullen uit de tas en legt ze in en op het nachtkastje. Nadat ze mij de diverse knoppen heeft uitgelegd die op een instrumentenpaneel achter het bed zitten verlaat Mieke de kamer, niet zonder te zeggen dat als er ook maar iets is ik haar mag roepen.

Daar zit je dan met z´n tweeën. Terwijl druppel na druppel je steeds verder wordt vergiftigd valt er niets meer te doen of te zeggen.
-´Schat ga maar naar huis. Je kunt hier toch verder niets doen. Als je alleen voor mij nog even televisie wilt aanvragen voor morgen dan zie ik je vanmiddag wel weer. Misschien kan ik een beetje slapen en jij moet thuis ook nog een hoop doen.´
Ze kijkt mij een beetje mistroostig aan maar begrijpt ook dat er voor haar hier niets meer te doen is.
-´Ga dan in ieder geval lekker liggen. Hier heb je jouw boek. Misschien wil je een beetje lezen. Ik kom vanmiddag dan weer terug. Je redt het zeker?´
-´Zeker, ga nu maar.´
We geven elkaar twee zoenen en houden elkaar nog even stevig vast. Dan loopt ze de kamer uit. Het is nu een feit. Ik lig in het ziekenhuis. Alleen!

Iedereen is ervan overtuigd dat chemotherapie voor mensen niet zo prettig is. Je kan er behoorlijk beroerd van worden naarmate de zwaarte van de kuur toeneemt en mijn kuur behoort tot de ´niet lichtste categorie´. Er wordt van alles bedacht om het je zo makkelijk mogelijk te maken en één van de slimme truckjes is er voor te zorgen dat je slaapt of in ieder geval behoorlijk versuft bent. Daarvoor hangen ze een klein zakje aan de standaard waar een vloeibaar verdovingsspulletje in zit waar je lekker van onder zeil gaat. Moet gaan althans want bij mij werkt het voor geen meter. De hele middag zit ik kaarsrecht in mijn bed, lees het ene tijdschrift na het andere (het boek kan mij niet echt boeien) , ontvang ´s middags en ´s avonds het bezoek en val later op de avond moeizaam in slaap.

Een ziekenhuis staat per definitie vol met bedden maar denk nu niet dat ze je lekker laten slapen. Onchristelijk vroeg staat een van de leden van de medische dagploeg aan je bed te tetteren alsof je op tijd op moet in verband met je overvolle dagindeling. Niets is natuurlijk minder waar. En dan dat ontbijt. Geserveerd op onuitnodigende kunststof dienbladen verstopt onder onsmakelijk ogende kunststof kappen krijg je het smerigste brood wat je je voor kan stellen. Dan te bedenken dat er in de hal van het ziekenhuis lekkere verse croissantjes te krijgen zijn. Ik begrijp echt niet hoe ze dat toch voor elkaar krijgen. Het ziekenhuis voedsel heeft de naam niet te vreten te zijn en het doet zijn naam absoluut eer aan. Eten is al een probleem maar als ik die kunststof dingen alleen al zie word ik al misselijk. Vreselijk.

Voor ´ons zielige kankerpatiënten´ wordt er niet zo nauw gekeken naar de bezoekuren en dus kan Miranda binnenlopen wanneer ze wil. Dat doet ze dan ook al merk ik daar deze ochtend niets van. Ik ben van de wereld. Het is ze gelukt. De verdoving is gaan werken en ik gedraag mij als een stonede kikker. Met wartaal, gestoorde gebaren en gekke bekken vermaakte ik mijn publiek in hoge mate. Als ik rond een uur of twaalf word opgehaald voor het maken van een foto ontgaat de rit ‘kamer – fotograaf’ en terug mij volledig.

De hele dag zit moeders naast mijn bed. We spelen zo nu en dan wat spelletjes maar ik ben er nauwelijks met mijn gedachte bij. (sorry mam, het is de drugs!!) De liefde van mijn moeder naast het bed is meer dan belangrijk voor mij. Het blijft toch je moedertje hè. Paps en mams waren gisterenavond al langs geweest en dat moet toch een vreemde ervaring voor ze zijn geweest. Op bezoek bij je veertigjarige kind dat met kanker in het ziekenhuis ligt. Kinderen overleven hun ouders. Zo hoort dat. Het moet heel moeilijk zijn in situaties verzeild te raken waar aan deze waarheid mogelijk wordt getornd.

Vier uur ´s middags. Henk komt binnen, mams gaat. Henk is mijn oudste vriend. We kennen elkaar al meer dan twintig jaar en ondanks dat het moeilijk is in ons dagelijks leven frequent contact met elkaar te hebben blijven we maatjes. Als wij bij elkaar zijn zitten we nooit om gespreksstof verlegen, wat onze leraren destijds op de middelbare school niet als iets positiefs hebben ervaren. Daarom wilden wij ze ook regelmatig ontzien en verkozen wij af en toe het strand boven het klaslokaal. Puur sociaal bedoelt natuurlijk.

Het is top om hem te zien. We lullen over van alles en nog wat en voor we het weten is de tijd weer om. Dat hij gaat is jammer maar wat nog veel vervelender is dat het avondeten er weer aan komt. Al mocht ik vanmorgen kiezen het blijft een opofferingsslag. Sorry mijnheer de kok. Toch probeer ik er voldoende van te eten. Misschien houden ze in de gaten wat ik eet en worden ze boos op mij. Zeggen ze dat het mijn eigen schuld is dat ik afval. Dus neem ik maar zoveel mogelijk hapjes van…..het zal wel iets zijn.

Wel heb ik nu televisie. Miran had het gisteren voor mij geregeld en dat leidt wat af. Als ze binnen komt kijk ik naar een herhaling van Freinds. Ze trekt het kussen half onder mijn hoofd vandaan en gaat naast mij liggen. Ik informeer bij haar naar mijn gedrag van vanochtend.
-´Volgens mij heb ik vandaag heel debiel gedaan. In ieder geval vanmorgen.´
-´Ach nee joh, het is mij niet opgevallen.´
-´Wat heb ik allemaal gezegd?´
-´Je was geloof ik boos dat ik je niet in een lantaarnpaal wilde laten klimmen en je gaf iedereen de schuld van de diefstal van je water.´
-´Verder nog iets bijzonders?´
-´Niet achterlijker dan je normaal al doet. Maar misschien moet je vragen of je wat van dat spul mee naar huis kan nemen. Kun je volgens mij in het uitgaansleven een leuk handeltje mee beginnen.´

´Onderweg naar morgen´ begint op de televisie, de soap van Yorin. Een symbolischer programma kunnen wij samen vanuit het ziekenhuisbed niet gaan bekijken. Want dat is ongeveer het enige waar ik mij de komende maanden toe zal beperken. Elke dag wordt voor mij niet meer dan de weg naar morgen.

´Er is er één jarig, hoera…hoera. Dat kun je niet zien maar ik ben het toch…..´ Als ik woensdagmiddag thuis kom hangen er geen slingers maar is ´de besloten kring´ aanwezig om toch te vieren dat ik eenenveertig wordt. Zus, kind van zus, vader en moeder zijn aanwezig op deze heugelijke dag. Ik vraag mij af of er iemand is die erover nadenkt dat dit wel eens mijn laatste verjaardag zou kunnen zijn. Ikzelf stel mij die vraag in ieder geval niet. Niemand belt mij op deze dag. Waarschijnlijk omdat ze bang zijn voor de situatie hier in huis of omdat ze gewoon niet weten wat ze moeten zeggen. (´gefeliciteerd´ lijkt mij een goede optie).

In de loop van de middag komen juffrouw Janny en Harry nog even langs, onze superburen. Janny en Harry zijn onze verzekering. Onze verzekering van een vierentwintig uur durende a-lá-minute ondersteuningsservice. Een beetje onze surrogaat ouders next-door. Zij beschermen het voortbestaan van onze dagelijkse gang van zaken, vangen de dieren op, helpen met het huis en de boodschappen maar wat het allerbelangrijkste is: ze zijn er. Vierentwintig uur per dag. Mijn voorstel is: stop het type ´Janny en Harrie buren´ in het ziekenfonds en stel ze ter beschikking van elke kankerpatiënt. Ideaal.

Het grote feest gaat voorbij en ik stap mijn eigen bed weer in. Heerlijk. Voel mij eigenlijk best redelijk en zelfs nog niet misselijk. Wie weet valt het misschien toch nog mee……

Hoofdstuk 7

Copyright © 2002 Huub van Rijn.
Alle rechten voorbehouden. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming mag niets van deze uitgave worden verveelvoudigd, bewerkt en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, magnetische media of op welke andere wijze ook.