Hoofdstuk 2: er was eens…

Bij het lezen van een boek heb je twee mogelijkheden: of je leest wat de schrijver heeft geschreven of je leest het niet. Lees je het wel dan ben je overgeleverd aan de woorden en zinnen die zijn geschreven door de schrijver. In dit geval ben ik die laatste persoon en ik vind het belangrijk dat jullie weten wie dat kankerpatiëntje van hoofdstuk één nu eigenlijk is.
Mijn levensverhaal zal ik jullie besparen.
Daarom kort maar krachtig in dit hoofdstuk: Wie ben ik?

Op vrijdag veertien juni tweeduizend twee, tien minuten voor tien werd ik dus veroordeeld. Ondanks het feit dat je behoorlijke twijfels kon hebben over het feit dat er sprake kon zijn van schuld kon ik mij niet beroepen op ontoerekeningsvatbaarheid. Hoewel ik zeker wist dat mijn omgeving stellig zou beweren dat ik misschien psychisch niet helemaal normaal was kon mijn vorm van gestoordheid niet als excuus worden aangevoerd. Het oordeel stond vast: Eén dag ziekenhuis en aansluitend TBM zonder aftrek van voorarrest. TBM, Ter Beschikkingstelling van de Medici.
Natuurlijk wilde ik wel in hoger beroep gaan om alsnog ontoerekeningsvatbaarheid aan te tonen. Je kon je afvragen of het niet slimmer was geweest om dat voor veertien juni alvast voor te bereiden. Wie weet had ik dat dan als verdediging kunnen aanvoeren en was ik er met een dagje ziekenhuis vanaf geweest. Ik was er echter van overtuigd dat ik zou worden vrijgesproken en om tien uur weer vrolijk op straat zou lopen. Het liep dus anders…
Voor ontoerekeningsvatbaarheid duiken de Spongs en de Moscowitzjes vaak terug in de tijd. En dat ben ik ook gaan doen.
Terug naar november 1961.
Het moet een koude en donkere maand geweest zijn. Ergens in een dorp, waarvan ik de naam niet zal noemen, omdat het Amstelveen was, woonden een jonge man met zijn vrouw als onderhuurders op de eerste etage van een herenhuis uit de jaren 30. Het was eigendom van een wat ouder echtpaar dat om een of andere reden had besloten een deel te verhuren aan het jonge stel. Het was een zeer gelukkig hardwerkend stel met een eigen bedrijfje wat was gevestigd in de Jordaan in Amsterdam. Zes tot zeven dagen per week ondernamen ze de reis van het pittoreske Amstelveen naar de grote stad om in hun patatwinkel te proberen een belegde boterham te verdienen. Kennelijk hadden ze in die bewuste novembermaand een avondje vrij en hadden ze weer niets zinnigers te doen dan een beetje met elkaar te stoeien. En ja hoor, de heer des huizes schoot raak! Ik had dat zelf pas weken later in de gaten. Volgens mij zo rond kerst. Ik lag nog lekker rond te dobberen in een warm baarmoederlijk bad toen mij enigszins foute klanken van het zo schitterend componeerde ´Stille nacht, Heilige nacht´ ter oren kwam. Het was niet te hopen dat dat geluid uit de mond van mijn toekomstige moeder kwam want dan kon ik het liefdevol in slaap zingen in de toekomst wel vergeten. Vanaf dat moment was ik dus wakker en was het met mijn rust gedaan. Letterlijk en figuurlijk. Die vrouw was me toch een druktemaakster. Ze zat geen moment stil. En was geen moment stil. Ze rende van hot naar her en kletste de oren van je hoofd. Denk je als groeiend embryootje je rustig te kunnen voorbereiden op dat wat je in je verdere leven nog te wachten staat, lig je maanden achtereen in een kolkende zee begeleid met het geluid van een vierentwintig uur durende talkshow.
Ik weet het, elke zichzelf nog-niet-geboren respecterende baby respecteert ook zijn ouders en houd zich aan de geldende nominale tijdslimiet van 9 maanden. Maar na 8 maanden was ik het meer dan zat. Ik wilde eruit!! Het was natuurlijk wel een stuk kouder daarbuiten maar een met een beetje geluk hadden ze een lekkere wieg met heel veel dekentjes en met een beetje aanpassingsvermogen zou ik het ook daar wel warm in krijgen. In ieder geval lag ik er een vast een stuk rustiger.

Dus op vierentwintig juli negentien tweeënzestig om twee minuten over negen stak ik mijn koppie om de hoek en mijn geboorte was een feit. En ik moet eerlijk zeggen dat het mij eigenlijk heel erg meeviel wat ik daarbuiten allemaal aantrof. Datgene waar ik uit was gekomen bleek voor mij verder door het leven te gaan als mijn moeder en die andere, naar later bleek de veroorzaker van dit, als mijn vader. En die had toch een lollige kop. Daar moest je wel om lachen. En dat deed ik dus ook. Ik begon te lachen en lachte eigenlijk om alles. Ik lachte om mijn kamertje van weinig bij nog minder meter, mijn wieg was om te bescheuren en dan dat behang….om te gillen. Af en toe kwamen er andere mensen bij mijn kijken, hilarisch gewoon. En wat ze dan tegen je zeggen.
´Poetie poetie poetie, waar is mijn kleine kereltje dan?´
Tot op de dag van vandaag heb ik geen idee wat ´poetie´ betekend en vragen waar ik ben terwijl zij naast mijn wieg staan en mij erin zien liggen neigt niet naar de aanwezigheid van een zeer hoog intelligentievermogen. Geloof mij, er waren niet veel figuren die echt zinnige dingen tegen mij zeiden. Later leer je dat volwassenen de verstandige zijn en dat kinderen, laat staan baby´s zoals ik, een voorbeeld aan ze moeten nemen en vooral veel van ze kunnen leren. Ik moet eerlijk zeggen dat het lang heeft geduurd voordat ik die stelling kon geloven. Poetie??
Al gauw stond ik bekend als die leuke, makkelijke en goedlachse baby. En dat is over het algemeen niet verkeerd. Ik kan dat elk opgroeiend embryootje aanraden, kom ter wereld zoals ik. Ze vinden je niet zo moeilijk, doen over het algemeen heel lief tegen je en zitten ook niet zoveel aan je kop te zeuren. Ze gaan graag met je wandelen want je jankt niet zo vaak en dat is erg leuk. Lekker liggen in zo´n wagentje en die gasten lopen zich een apenzuur. En elke keer als er iemand naar je komt kijken dan lach je weer. Paps en mams zijn dan heel erg trots en jij komt nog eens ergens.

De eerste twee jaar had ik het dan ook prima voor elkaar tot ik in de gaten kreeg dat mijn moeder wel erg snel van vorm begon te veranderen. Natuurlijk had ik niet direct in de gaten wat er loos was, ik was ten slotte van goedlachse baby nog niet verder gekomen dan goedlachse mini peuter. Tot ik op die dag in september negentienhonderd vierenzestig een hoop gekrijs hoorde. En ik herkende dat gekrijs. Het leek verdomd veel op de taal die ik twee jaar geleden nog sprak en kon maar tot één conclusie komen: d´r was er nog een gekomen. Waren die twee helemaal besodemieterd. Ze hadden hun handen toch al vol aan mij? Nou, kennelijk dus niet. Toen het gekrijs een beetje was afgenomen mocht ik ook komen kijken. Wat een krummel. Man, dat was nog veel kleiner dan ik. Dat kon nooit wat worden.
´Dit is nou je zusje´ hoorde ik mijn vader zeggen.
Zusje? Wat is dat, zusje? Ik had al een hoop woorden gehoord maar ´zusje´. Nooit van gehoord.
´Ze heet Karin´.
Wat is het nou? Is het een zusje of is het een Karin? Waarom moest dat nou weer twee dingen zijn. Ik was gewoon een Huub dus zij is ook gewoon maar één ding.
´Jij bent nu haar broertje´.
Dat is lekker. Dat wil ik helemaal niet. Ik ben gewoon een Huub en heb helemaal geen zin om ineens iets anders te zijn.
Volgens mij was dat de eerste keer in mijn leven dat ik in een ernstige identiteitscrisis terecht kwam en eigelijk had ik toen al direct geestelijk hulp moeten hebben. Maar werd dat erkend? Natuurlijk niet. Ik moest er zelf maar overheen komen. Zou ik dit misschien kunnen aanvoeren als één van de oorzaken van ontoerekeningsvatbaarheid?

De eerste twee jaar waren onmiskenbaar de basis voor een gelukkige jeugd.
Het hebben van een gelukkige jeugd wordt eigenlijk alleen maar bepaald door één allesomvattende faktor: liefde. Bij voorkeur van een stel liefdevolle ouders. Die mazzel had ik. Het is zeker dat, wanneer ik het profiel van mijn ouders tijdens mijn bewijsvoering had opgevoerd, de kans op vrijstelling op basis van ontoerekeningsvatbaarheid een stuk dichterbij was gekomen. Maar de eerlijkheid gebied mij te zeggen dat mij dat toch een beetje te ver ging. Dat hadden zij niet verdiend. Okee, ze hadden mij natuurlijk enigs kind moeten laten blijven, moest ik altijd veel te vroeg naar bed, werd ik gedwongen om mijn bord leeg te eten terwijl het niet te vreten was, werd ik naar scholen gestuurd waar ik niet naar toe wilde, moest ik op sporten die ik haatte, kleding aan die ik niet wilde, waren de vakanties waardeloos en kreeg ik veel te weinig zakgeld. Maar deze zaken gelden natuurlijk voor elk kind. Ze hielden in ieder geval wel van mij. Oneindig veel. En die liefde was er altijd en in alles wat ze voor mij deden zat steeds dezelfde grondgedachte: wat het beste was voor mij.
Natuurlijk was het leven in die jaren ook een stuk eenvoudiger. Ik was een jongen dus hield ik van voetballen op straat. Het assortiment in speelgoedwinkels was velen malen eenvoudiger dan tegenwoordig. Ik kan mij bijvoorbeeld geen poppetjes herinneren van onze televisiehelden die wij graag wilden, nee, moesten hebben. Eerlijk gezegd zou het er ook wel een beetje vreemd uitzien, een poppetjes gevecht tussen Swiebertje, Saartje en Bromsnor, van boven af gebombardeerd door Pippi op haar vliegende paard die net terug kwam van haar strijd tegen de machtige magiër Tita Tovenaar die op zijn beurt net weer Pipo had teruggestuurd om nu eindelijk die groep verdwaalde randgroep jongeren op te sporen in de getto van Hamelen.
Nee, het was een stuk eenvoudiger. Wij speelden op straat, de televisie had nog maar twee zenders en alle mamma´s waren thuis en alle pappa´s hadden werk. Dat kon ook nog makkelijk want de huren van de huizen waren prima te betalen en het woord tophypotheek was nog niet uitgevonden.

Misschien klinkt het gek maar ondanks dat ik een goed gevoel over mijn jeugd heb kan ik mij er verder weinig van herinneren. Van de kleuterschool weet ik alleen nog waar het gebouw heeft gestaan (waarschijnlijk ook alleen maar omdat ik er jaren later nog eens ben gaan kijken) en ook van de lager school (voor kenners beter bekend als de basisschool) herinner ik mij maar slechts losse flarden.
Zoals ik al schreef is het nutteloos een uitgebreid chronologisch levensverhaal over mijzelf te gaan schrijven om verschillende redenen. Ten eerste omdat waarschijnlijk niemand erin geïnteresseerd is en ten tweede omdat het niets met de kanker te maken heeft.
Of toch? Want de vraag is natuurlijk wel: waarom heb ik kanker gekregen? Dat weet eigenlijk geen hond. Er is op deze wereld geen oncoloog die mij kan vertellen waarom ik nu zo nodig veroordeeld moest worden tot de straf ´teelbalkanker´. En zelfs of het woord ´straf´ terecht is valt nog maar te bezien.
Het antwoord op de vraag, “waarom?”, kan ik natuurlijk niet geven. Er zijn in principe twee basis gedachten: of het is gewoon domme pech of het heeft een oorzaak. Of het is een beetje van alle twee. Ik zou het m´n God niet weten maar misschien komen we er in het verloop van dit verhaal wel een heel klein beetje achter.

Zover als ik mijn, pak weg, eerste twintig jaar kan nagaan was ik altijd een redelijk plezierig persoon in de omgang. Ik had zelden of nooit ruzie, zorgden altijd voor enig leven in de brouwerij (wat sommige absoluut mateloos geïrriteerd heeft) en ondanks een sterk verbaal vermogen en vaak uitgesproken mening vaarde ik altijd met de wind van iedereen mee. Gedurende mijn hele periode van de kleuterschool en lagere school speelde ik ten opzichte van mijn omgeving (lees: klasgenoten) volgens mij nauwelijks een rol van betekenis. Ik was niet groot, niet sterk, niet stoer en niet extreem slim. In principe was ik een gemiddeld persoontje die overal tussendoor fladderde. En toch ook weer niet.
Het was een gegeven dat ik een zogenaamde ´jonge leerling´ was. Mijn geboortedatum, 24 juli, was er de oorzaak van dat ik in een jaargang terecht kwam met altijd oudere kinderen om mij heen. Misschien was het daarom dat ik de, in mijn ogen fysieke tekortkomingen, onbewust probeerde te compenseren met iets anders. Iets wat volwassenen noemden: druk.
Huub was druk. Altijd aanwezig. Nu moet worden gezegd dat ik over het algemeen niet echt in de massa onder ga. Het is de vraag of dat iets natuurlijks van mij is of een soort van verdedigingsmechanisme. Zelf heb ik dat laatste nooit als zodanig gevoeld maar het zou zeker kunnen. Risiko van zo´n vorm van gedrag is dat je een soort van persoonlijkheid ontwikkelt wat misschien niet je eigen echte persoonlijkheid is. Iets waar ik pas veel later over ben gaan nadenken.

Volgens mensen die beweerden er verstand van te hebben lagen mijn talenten op een verscheidenheid aan terreinen die ik kort even zal doorlopen. Allereerst op sportief gebied:voetbal. Als jeugdspelertje werd ik zeer frequent regelrecht de hemel in geprezen en lag mijn toekomst misschien wel in de voetballerij. Daar is geen fluit van terecht gekomen. Als ik daar zelf op terug kijk heb ik kan ik daar velen redenen voor aanvoeren maar de belangrijkste was wel dat ik niet echt in mijzelf geloofden. Iets wat kenmerkend was voor mijn hele leven. Een extreem gebrek aan zelfvertrouwen. Achter dat verbaal sterke en zelfverzekerd ogende mannetje ging een onzeker persoontje schuil dat vol zat met faalangst. Waar dat vandaan kwam? Misschien dat mijn ouders daar een onbewust een rol in hebben gespeeld. Als ik ergens enthousiast over was ging ik daar met hart en ziel in op.
Het was dan ook altijd zo dat ik in ´no time´ iets van nul tot een behoorlijke hoogte kon brengen, zodanig dat mijn omgeving hun bewondering niet onder stoelen of banken staken. En dan? Niets meer. Dan hield het op. Als iets niet lukte sloeg mijn enthousiasme snel om in diepe teleurstelling en juist voor dat laatste wilden mijn ouders mij altijd beschermen met als gevolg een sterk relativerende opstelling. Die relativerende opstelling had als bijeffect dat ik mij zeer onzeker begon te voelen en nooit echt door durfde te zetten. Deze vorm van onzekerheid werd een belangrijk onderdeel van mijn karakter.
Het toneel en theater was ook echt iets voor mij. Dat vond ik ook wel wat en dus begon ik decortjes in elkaar te plakken en muziekbandjes te monteren om zo mijn kunsten aan iedereen die het maar wilden (of moesten) te laten zien. Ik was een schatje met mijn vertolking als Henk Elsink met ´kleine Johanna´ en heb nog hele one-man-shows in elkaar geknutseld waarmee ik een glorieus tournee langs de plaatselijke bejaardenhuizen maakten. De hele avond werkte ik mij dan kapot om vervolgens te moeten constateren dat de imitatie van mijn vriendinnetje Bernadette van Willeke Alberti voor die oudjes het hoogtepunt was. Je moet ook nooit groot talent in je eigen show dulden…..
En dus ging ik een technische schoolopleiding volgen. Volgens mij ongeveer het enige wat ik niet had moeten doen en ook het enige waar ik beslist niet goed en niet in geïnteresseerd was. Dus een hele logisch stap. Toen gediplomeerd, getrouwd en dansvloeren gaan verkopen. Logisch dus allemaal.

Eerst het getrouwd zijn.
Bernadette was mijn jeugdliefde en wij hoorden gewoon bij elkaar. We kenden elkaar al vanaf een jaar of dertien en zijn eigenlijk als vanzelf sprekend met elkaar getrouwd. Niet dat we daar niet bewust voor hadden gekozen maar toch….We hadden samen een prima leven, zij als bejaardenverzorgster en ik als zelfstandig vloerenboer ondernemer. Het hele verhaal over het werk bespaar ik jullie want dat is een boek op zich. Het enige wat ik er van wil zeggen is dat ik er zeventien jaar van heb geleefd (en soms ook van ben gestorven…) en ik er, ten tijde van mijn ziekte, schoon genoeg van had.
Wordt nooit zelfstandig ondernemer want uiteindelijk is het één grote ellende en kan je beter twee banen bij een baas zoeken: je maakt net zoveel uren, hebt een stuk minder zorgen en per saldo levert het bijna altijd veel meer op. Mijn huwelijk hield helaas geen stand en na acht jaar hebben wij beiden onze eigen weg gekozen. Die dingen gebeuren. Inmiddels trouwens al meer dan drie jaar gelukkig getrouwd met mijn huidige vrouw waar jullie in het eerste hoofdstuk al kennis mee hebben mogen maken.
Wat ontbreekt er nu eigenlijk in alles wat ik tot nog toe in dit hoofdstuk heb geschreven?
Wat ontbreekt is mijn wil. Wat wilde ik zelf eigenlijk. Mijn leven was het beste te vergelijken als een hele lange treinreis met wisselende machinisten waarbij ik mijzelf keurig gedroeg als een modelpassagier. Ik zat netjes op een bankje, voetjes keurig op de grond, zei ´dank u wel´ als ik een kopje koffie kreeg en was heel braaf. En waar de trein naar toe reed besliste de machinist. En ik? Ik reed keurig mee. Om te begrijpen dat ik daar doodongelukkig van werd, dat ik daarmee eigenlijk geen eigen persoonlijkheid meer had, daarvoor moest ik eerst kanker krijgen. Kanker, mijn zegen.

Hoofdstuk 3

Copyright © 2002 Huub van Rijn.
Alle rechten voorbehouden. Zonder voorafgaande schriftelijke toestemming mag niets van deze uitgave worden verveelvoudigd, bewerkt en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, magnetische media of op welke andere wijze ook.